Bladeren

Fragmenten*


De winkel in de Lloydstraat verkoopt Tobacco and Cigars, zoals op het pand staat te lezen, maar ook Brood, Boter en Kaas. Tabakswinkel annex kruidenier. Er komt een tweede zaak bij, de eigenaar moet een moedig mens zijn geweest, het is nogal een besluit om in de crisisjaren een pand te laten bouwen. Eind 1929 start de bouw, even verderop aan de St. Jobsweg 21, aan de voet van de pier.
De buurt heeft er een fijne winkel bij. Na 1931 worden de kruidenierswaren aangevuld met scheepsproviand, ook de schepelingen in het havengebied kunnen er nu terecht voor alle benodigdheden aan boord. Niet alleen de bemanningen, ook de passagiers doen er hun boodschappen.
– Rubbertijd 1, bladzijde 15


Kraton is Javaans voor de plaats waar de ratu, de vorst, resideert. Kraton: ke-ratu-an. Hier is het niet meer dan een ruimte in een gebouw, aansluitend aan loods Java, even voorbij vijf havenkranen aan het waterfront.
Javanen worden de varensgasten hier genoemd, maar ze komen vrijwel allemaal van het eiland Madoera.
– Rubbertijd 1, bladzijde 16


Alleen al in vijf weken van de zomer 1950 zetten 15.000 passagiers uit Indië er voet aan wal: KNIL-gezinnen en militairen. Thuisgebracht of afgezet door de Oranje en de Friesland of door schepen met namen uit verre oorden zoals de Sibajak en de Kota Inten, de Fairsea en Empire Brent. In oktober volgt er nog eens een golf van 13.000 passagiers uit Indonesië. De Zuiderkruis, de Ormonde en de General Balou voegen zich bij de vloot voor de Lloydkade, in hun kielzog gevolgd door de Skaubryn, de Blitar en de New Australia.
– Rubbertijd 1, bladzijde 20


Op 1 juli 1946 wordt het schip gedoopt en genoemd naar de directeur van de Rotterdamsche Lloyd die door de Duitsers werd omgebracht, samen met vier vrienden uit het verzet. Ruim een jaar later het vertrek vanaf de werf voor een proefvaart, om daarna afgebouwd te worden, zowat voor de deur van het Kraton, aan de Lloydkade. Op 2 december 1947, de eerste officiële reis, de Willem Ruys op weg naar Java Indië.
– Rubbertijd 1, bladzijde 22


Bij stuwadoorsbedrijf Frans Swarttouw aan de Heyplaatweg zijn in de oorlog drie kranen gestolen. Een man die ooit begon als jongste bediende bij het bedrijf wordt op onderzoek uitgestuurd. Hij haalt de kranen terug: uit Den Helder, van het eiland Borkum en uit Aarhus Denemarken. Zo kan Swarttouw al in oktober 1945 weer gaan draaien. De man achter het huzarenstukje is Koos. De haven is dan nog een klein wereldje. Koos en Joop zijn leeftijdgenoten, ze schelen een maand en ze hebben dezelfde achternaam. Ze delen hun liefde voor de haven, ze werken er allebei. Ze zijn elkaar vast tegengekomen; het zal niet op zondag zijn geweest, want Joop komt niet in de kerk.
– Rubbertijd 1, bladzijde 29


Zij is verrast, maar ze aarzelt. Hij is niet de sportman die ze maar moeilijk kan vergeten, wel een leuke vent. Op 1 mei 1947 trouwen ze in het stadhuis van Rotterdam. Het is het jaar waarin de op één na strengste winter wordt gevolgd door de — tot op dat moment — warmste zomer van de twintigste eeuw.
– Rubbertijd 1, bladzijde 33


Ze is jong en heeft haar handen vol aan alle kleuters in de crèche. Er valt ook zoveel te ontdekken aan boord. Wanneer hij even aan haar aandacht is ontsnapt vindt ze hem terug met zijn hoofd bekneld tussen de spijlen van de box. Een week later wordt het halve scheepsdek afgezocht. Hij is via een trapje naar beneden geklauterd tot op de bodem van het zwembad dat een dagje droog staat voor een schoonmaakbeurt. Drie weken onderweg. In de zomer van 1950 weten ze zonder verdere averij Rotterdam te bereiken. De Willem Ruys is thuis.
– Rubbertijd 1, bladzijde 33


Ze slaan geen wedstrijd over en zijn er ook bij als een mevrouw op hakken de aftrap doet. Met haar blonde haren geknot in een vlecht en een rok met knoopjes slank om haar lange benen, ziet ze er uit als een pin-up uit de leesmap thuis. Zo gedraagt ze zich ook, de microfonist hoeft geen applaus te vragen. Hij is negen jaar wanneer hij zich afvraagt wat die rondborstige dame met zijn cluppie heeft; hij is niet de enige die de kluts kwijt is, Sparta wordt ingemaakt.
– Rubbertijd 1, bladzijde 38


In de tijd dat de akte spoorloos is groeit er bij hem een onbehaaglijk gevoel. Hij gaat nadenken over het feit dat hij niets weet over vroeger, niets over de tijd in Indië en niets over zijn voorouders.
– Rubbertijd 1, bladzijde 46


‘Kort geleden ontmoette ik een knaap die op doorreis was naar Sumatra en die door het rubberfonds was uitgezonden om de toestand op de plantages te gaan opnemen. De man was nooit in Indië geweest en had zelfs nog nooit een rubberboom gezien!’
– Rubbertijd 1, bladzijde 51


Met hulp van het Koninklijke Rotterdamse Lloyd Museum vindt hij de datum van de terugreis door zijn ouders, hij krijgt zelfs een kopie van de passagierslijst toegestuurd. Over de heenreis is niets te vinden. Misschien hebben zijn ouders het vliegtuig naar Batavia genomen.
– Rubbertijd 1, bladzijde 63


In West-Java worden vernielde rubberbomen aangetroffen, er wordt besloten tot patrouilleren. De verkenners, bewapend en begeleid door militairen, doen de ondernemingen zo vaak mogelijk aan om onlusten te voorkomen, maar op Java bezoeken ze alleen plantages aan hoofdverkeerswegen. Beveiliging is een groot probleem in het hele land, bijna wekelijks zijn er overvallen en worden planters en bewakers vermoord. Binnenlandse zaken werkt aan een nieuwe opzet van bewaking door ondernemingswachten. Hun hoofdtaak is ‘Het beschermen van ondernemingen, het werkvolk en het product.’ Dat wordt steeds moeilijker. In de tjokvolle Willemskerk aan het Koningsplein Oost in Batavia, wordt een dienst gehouden voor de soldaten, Nederlandse en Indonesische strijdkrachten: in juli is de strijd tegen elkaar losgebarsten.
– Rubbertijd 1, bladzijde 77


‘WIE VERKOOPT Aan onze jongens, die op een eenzame post in den omtrek voor Uw veiligheid zorgen, een stel biljartballen en 6 queues? Zij hebben wel een biljart, maar kunnen er door het ontbreken van de attributen niet op spelen. Opgaven onder vermelding van prijs s.v.p. indienen bij den Legervoorlichtingsdienst, Roomsche Kerkweg 2, telf. Djak. 1258.’
– Rubbertijd 1, bladzijde 80



In het begin, nadat de Japanners zijn vertrokken, zijn er nog hele volksstammen die niets moeten hebben van Soekarno. Toch laat men hem begaan. Van de bevolking is maar een kleine bovenlaag fanatiek voorstander van een republiek en die hitst de hele boel op.
– Rubbertijd 1, bladzijde 84



In Rotterdam komt de familie bij elkaar. Op 22 september 1949, als hun kleinkind zijn eerste verjaardag heeft, wordt dat bij opa en oma thuis uitgebreid gevierd. Het moment wordt vastgelegd, de foto gaat nog dezelfde week op de post naar Laan Trivelli 123. Het wordt een foto met een zwarte rand.
– Rubbertijd 1, bladzijde 91


In de eerste week van mei 1950 wordt de bioscooppremière aangekondigd van De laatste etappe: ‘Een epos dat iedereen zou moeten zien behalve zij die dierbaren in de Duitse kampen verloren hebben…’ De Garden Hall begint met drie voorstellingen per dag van ‘Een onvergetelijke Poolse film over het concentratiekamp Auschwitz.’ De film wordt met veel tamtam aangekondigd, een heuse campagne van advertenties in de Java-bode met de toevoeging: ‘Opdat men niet vergete!’ Het vertonen van de film, de publiciteit er omheen, een paar jaar na het sluiten van het laatste Jappenkamp: veel Europeanen in de stad hebben er hun eigen gedachten over.
– Rubbertijd 1, bladzijde 101


Daarboven torent hoogbouw, vijf verdiepingen, appartementen en bedrijfsruimtes in aanbouw. Geen bedrijvigheid beneden, de bouw is tijdelijk stilgelegd. Door de hevige regenval staat de binnenplaats onder water; ze gaan eerst maar eens droogpompen. Heeft hij hiervoor deze reis gemaakt? Hun huis tegen de vlakte gewerkt. Alleen nog de herinnering bij een foto van 65 jaar geleden, een glimp van het verleden, afgebroken en weggespoeld.
– Rubbertijd 2, bladzijde 119


Hij kan niet wachten om het landgoed te betreden, ze zijn op weg naar de theeplantage Malabar. Onderweg vraagt hij zijn chauffeur hoe ver het nog reizen is. De Javaan kijkt hem lachend aan. Kilometers zeggen hier niet zo veel. Je kunt een uur doen over vijftig kilometer, maar ook twee, zelfs drie, vier uur. Het hangt af van de drukte onderweg. ‘Jam karet’, is daarom het antwoord, tijd is rekbaar, elastisch. Jam karet: rubbertijd, je moet hier niet op een half uurtje kijken.
– Rubbertijd 2, bladzijde 123


De inrichting is nog van toen. Je voelt het: hier heeft een man van aanzien gewoond, daarna heeft niemand meer een stoel verplaatst. De ruimte is verdeeld in vertrekken, met een kleine verbindingspoort er tussenin. Centraal: het portret van de man die jarenlang deze plantage bestiert en de boel nog streng in de gaten lijkt te houden, meneer Bosscha.
– Rubbertijd 2, bladzijde 123


Ook de papieren nalatenschap is niet groot: het eerste rijbewijs van zijn vader, het stenodiploma van zijn moeder, haar werkstuk over prinses Juliana, een felicitatie van collega’s van zijn vader met de geboorte van zijn zoon en een inentingsbewijs uit de kliniek met nog net leesbaar, het huisadres: Laan Trivelli 123. Verder is er geen snipper bewaard gebleven. Geen praters, geen brievenschrijvers.
– Rubbertijd 2, bladzijde 140


 

Hij vertelt haar dat ze hem daarnet op het strand deed denken aan een moment uit een film. Zoals ze uit het water stapte, die scene op het strand: ‘You remember Ursula Andress?’ Ze begrijpt hem niet. Ze kent The ultimate Bond girl niet. Hij zal een andere openingszin moeten bedenken en houdt het maar op de vraag of ze iets van hem wil drinken. Ook dat komt niet helemaal door. Gelukkig verschijnt er een ober aan haar tafel, ‘Wat zal het zijn?’ vraagt hij in het Bahassa. Zij wil wel muntthee. Voor hem een biertje; hij mag aanschuiven. Ze legt uit dat ze half Indonesisch, half Vietnamees is. Ze verontschuldigt zich voor haar slechte Engels en vraagt of hij haar verstaat. Hij antwoordt met een lach: ‘Ik kom ook uit twee werelden, kijk, dit ben ik.’ Hij heeft zijn telefoon erbij gepakt en laat haar een foto zien: een blond ventje, hand in hand met twee vrouwen links en rechts van hem. ‘Met mijn moeder en onze baboe, in de tuin van ons huis in Batavia, Jakarta nu. Ik ben er geboren. Maar ik woon vanaf mijn tweede in Nederland.’
– Rubbertijd 2, bladzijde 144


Het wordt duidelijk waarom dit een ideale plek is voor een kamp. Dit stukje Cideng is nog altijd omgeven door kanalen, wegen en spoorwegen. Er lopen twee hoofdwegen die elkaar haaks kruisen en het Tjidengkamp in vieren delen: van west naar oost de Laan Trivelli, van noord naar zuid de Moesiweg die overgaat in de Tjipoengaraweg. De gevangenen zijn verdeeld over vier blokken, elk blok gelegen in een kwart en genummerd met de klok mee. Het moet mogelijk zijn de locatie van de blokken terug te vinden.
– Rubbertijd 2, bladzijde 163


Zijn blik wordt naar beneden getrokken: hij kijkt op de binnenplaats achter het huis; daar speelde zijn peuterleventje zich af. Het is nu een stuk grond dat braak ligt, een bouwplaats die deels onder water staat. Heel goed zichtbaar is een grote ronde waterput.
– Rubbertijd 2, bladzijde 164

+++

Het lijkt op een opgraving waarbij oude fundamenten zijn blootgelegd. Voor hem de waterput, daarachter uitstekend boven het water, links, rechts en verder naar achter, resten beton waarop je kunt lopen. In het beton drie luiken met roosters voor ventilatie. Het meeste water is weggepompt toen hij op reis was. Op de binnenplaats is nu een complete bunker blootgelegd, hoog en ruim genoeg voor vier stapelbedden. De mensen die hier zaten in de kamptijd hebben hem niets verteld over een schuilkelder onder de binnenplaats. Zij zouden die extra ruimte zeker hebben ontdekt en dankbaar hebben benut in de tijd van hun gevangenschap.
– Rubbertijd 2, bladzijde 166


…de Duitsers geven opdracht een deel van de pasgebouwde huizen te slopen voor de bouw van de Atlantikwall, de verdedigingslinie die een onneembare vesting moest worden met tankwallen, tankgrachten, bunkers en mijnenvelden. Het was een klus die de bewoners zelf moesten opknappen: totaal 5.800 geronselde arbeiders sloopten 3.500 woningen in 75 straten.
– Rubbertijd 3, bladzijde 178



Uit zijn gezinskaart valt op te maken dat Pleun, zoon van een arbeider uit het dorpse Ridderkerk, uitstekend kan aarden in deze omgeving: hij woont er vanaf de jaren twintig tot vlak voor de oorlog; (…) Hij deelt de woonruimte steeds met dezelfde huisgenote, een ongehuwde moeder: Catharina Wilhelmina. Zij is negentien jaar jonger dan Pleun en 21 jaar oud bij de geboorte van haar eerste kind, een dochter. Pleun is niet de vader.
– Rubbertijd 3, bladzijde 180


De man die de foto mailt vertelt wie deze mensen zijn: Pleun en het derde kind van de vrouw. De man zegt erbij dat hij de zoon is van het jongetje op de foto en dat hij verder niets weet over Pleun en de vrouw, hij heeft hen nooit ontmoet. Het kind in de trapauto, zijn vader dus, is een jaar of vier oud. De foto zal gemaakt zijn rond 1928, Pleun is dan bijna 50.
– Rubbertijd 3, bladzijde 182


Met hulp van het Haags Gemeentearchief wordt in 2016 de locatie op de foto gevonden: het is de Lijsterbesstraat 91, net voor de hoek die uitkomt op de Laan van Meerdervoort. Het pand is er nog altijd terug te vinden; het ligt op een paar minuten lopen van de adressen waar Pleun zijn kamers huurt.
– Rubbertijd 3, bladzijde 182


Tot 1934 lopen de zaken goed; er zitten ambassades in de buurt en het Paleis Noordeinde zit op nog geen twee kilometer. De hoofdbewoner hier is een liefhebber en fervent gebruiker van luxe auto’s; prins Hendrik schaft er ook zelf een paar aan. In 1925 koopt hij bij de Antwerpse autobouwer Minerva een limousine landauer met karosserie van het Haagse bedrijf Van Rijkswijk, met — in die tijd gebruikelijk — het stuur rechts omdat de koetsier, inmiddels autobestuurder, rechts op de bok van zijn rijtuig zat.
– Rubbertijd 3, bladzijde 183


Het boek De bastaarden van koning Gorilla en hun nakomelingen (2007) over Maria: ‘Volgens de familie-overlevering had zij een liefdesaffaire met koning Willem III. Haar echtgenoot huwde haar om de koning te vrijwaren.’
– Rubbertijd 3, bladzijde 185


Koninklijke klandizie was er ook voor de oudste dochter van Pleun, Sjaan. De trouwakte omschrijft haar beroep als stopster van tapijten. Sjaan noemde haar winkel geen werkplaats maar atelier. Op de ruit van haar winkeldeur stond het in fiere witte letters: Atelier Hollandia, beide woorden weloverwogen gekozen. Jeane vond Atelier passend bij haar branche, door haar omschreven als restauratie van in- en uitheemse tapijten. Het Hollandia in de naam kan een verwijzing zijn naar haar clientèle, het atelier lag op een paar minuten van het paleis en werd voornamelijk bezocht door leden van de koninklijke huishouding, vertegenwoordigers van ambassades, sjeiks en andere vorstenhuizen.
– Rubbertijd 3, bladzijde 186


Over deze Willem van der Vorm is niet veel bekend, hij mijdt zijn leven lang de publiciteit. Het is een man die zijn secretaris opdracht geeft alle persoonlijke archieven te vernietigen na zijn overlijden. Het maakt alleen maar nieuwsgieriger. Deze zoon van een vlasboer blijkt een kenner te zijn van kunst, een groot verzamelaar en een gulle gever aan musea. Een man die steenkolen verandert in goud en bankconsortiums opricht of redt van de ondergang. Hij ontwikkelt zich tot eminent zakenman en havenbaron. En het is een paardenman.
– Rubbertijd 3, bladzijde 194


Een paar dagen later wanneer hij vertelt over het incident, de reactie van een Vietnam veteraan: ‘Je had ’m moeten neerschieten, de klootzak.’ Nooit heeft hij het gevoel gehad af te reizen naar een land dat op twee fronten oorlog voert, een land in gevecht met zichzelf en met de Viet Cong, een vijand ver van huis, door velen niet als vijand gezien. Nooit heeft hij zich afgevraagd hoe het zou zijn in dit land te leven. Tot de bittere opmerking van de veteraan; woorden waarin hij de woede en haat hoort van een natie. Dichter bij een oorlog is hij niet gekomen.
– Ruby Tuesday, bladzijde 218


Op het Kerstfeest waarvoor naast de Kerstman ook Sinterklaas was uitgenodigd wordt de huiskamer omgebouwd tot bioscoop met Woody Woodpecker in het voorprogramma en Der Mann mit dem goldenen Pinsel als hoofdfilm. Henricus Nijgh, de oprichter, had het nooit goedgekeurd en het was prettig dat zijn portret aan de andere kant van de klapdeuren hing, in de nieuwbouw.
– Henricus Nijgh, bladzijde 224


Hier ruilt hij de sport in voor een nieuwe passie en raakt hij ‘hooked’ aan de reclame. Ooit maakte zijn grootvader een vergelijkbare overstap: van een leven vol sport naar een compleet andere wereld, van gymnastiekleraar naar boekbinder. De boekdrukkunst, ingebonden boeken, de geur van het papier en de inkt, typografie en fraai vormgegeven pagina’s; boekbinder, het vak van Anton, zit dicht bij het vakgebied van zijn kleinzoon: de reclame, het vak dat hij trouw zou blijven tot zijn laatste werkdag.
– Henricus Nijgh, bladzijde 225


*Het beeldmateriaal wordt alleen gebruikt op de site. In geval van copyright dat wij niet hebben kunnen achterhalen, worden deze beelden verwijderd.