Recensies

De recensies en reacties op Rubbertijd betreffen beide delen van het boek. Het eerste deel van Rubbertijd gaat over het Batavia (Jakarta nu) van de jaren 1945-1950 en over de vooroorlogs jaren in een illustere buurt in Den Haag. Het boek schetst een periode, het is niet echt een familieverhaal, want de familie ziet en spreekt elkaar al eeuwen nauwelijks. Het is ook niet het verhaal van mensen uit Indië die moeten wennen in Nederland, maar andersom: het nooit vertelde avontuur van een pasgetrouwd stel dat de stap waagt van Blijdorp naar Batavia. Van de diergaarde en het Vroesenpark naar de jungle en de plantages, de rubber achterna. De onrustige jaren na de Japanse bezetting, het ongeregelde leven in de geboorteplaats van de schrijver rond 1948. Een schets ook uit het leven van de vreemdeling-grootvader: de kleurrijke, vooroorlogse jaren omgeving paleis Noordeinde, de rosse buurt bij station Holland Spoor en de Bloemenbuurt, zijn werkterrein als particulier chauffeur, zoals de schrijver ontdekt. Na een zwerftocht van 1200 km over Java, een tussenstop bij een havenbaron in Rotterdam en een theeplantage op Sumatra, komen de verhalen bij elkaar. Rubbertijd is autobiografisch en berust op feiten en een enkele fantasie.

In Rubbertijd kijkt de schrijver niet alleen terug, maar ook om zich heen: wat gebeurt er allemaal in dit land, hoe is het om daar rond te reizen nu. In het tweede deel van het boek een impressie over het huidige Indonesië, indrukken opgedaan tijdens een reis van vier weken in 2014. Achtergronden van gebeurtenissen in de jaren daarna: het opkomend geweld tegen minderheden, massademonstraties, het verbieden van alcohol enz. In die zin is Rubbertijd ook een gids voor mensen die Indonesië (weer) willen bezoeken.


Recensie Historiek.net, online geschiedenismagazine voor een breed publiek dat geschiedenis en actualiteit met elkaar verbindt:

Wat kun je terughalen van een tijd waaraan je geen herinneringen hebt?

De zoektocht naar de eigen afstamming, het greep krijgen op het leven van je voorouders is een vorm van geschiedschrijving die heden ten dage grote populariteit geniet en – eerlijkheid gebiedt het te zeggen – het geeft veel bevrediging om er achter te komen uit welk soort nest je afkomstig bent. Hoe vonden je ouders elkaar, wie waren je grootouders en wat spookten ze uit? Ben je afstammeling van een rijk adellijk geslacht, heb je misschien illegitiem koninklijk bloed in je aderen en wat deden je voorouders in dat verre land? Ja, het wroeten in het eigen verleden is boeiend, vooral als je de beschikking hebt over primaire bronnen als dagboeken en correspondentie van overledenen. Maar wat als er vrijwel niks bewaard is gebleven of ooit heeft bestaan behalve registraties in de registers van de burgerlijke stand? Dan wacht er een slopende zoektocht als je je verleden tot leven wil wekken.

Ronald Lagendijk (1948) wist eigenlijk alleen dat hij ergens in 1947 werd verwekt in een huis aan de Laan Trivelli in het toenmalige Batavia waar zijn ouders woonden en dat zijn vader werkte voor de NIRUB (Nederlands Indisch Rubber Uitvoer Bureau), ofwel het Rubberfonds. Hij komt uit ‘[E]en familie zonder verhalen die zijn doorgegeven. Er is niets bewaard gebleven, er is geen archief, er zijn geen brieven, alleen wat foto’s en geen enkele naam.’

Lagendijk gaat op onderzoek uit, hij spit elke tekst door die licht kan doen schijnen op zijn verleden, gaat vier weken op reis door Indonesië en schrijft dan een boek met als titel Rubbertijd dat alle trekken heeft van een caleidoscoop. Rubbertijd is het verslag van een duizelingwekkende speurtocht die doorspekt is van ‘[P]etites histoires ontleend aan uitspraken van mensen die ik betrouwbaar acht [….]’.

Rubbertijd bestaat uit twee delen, waarvan het eerste de zoektocht weergeeft van Lagendijk naar zijn ouders met als leitmotiv hun besluit om vlak na de oorlog naar het toenmalige Nederlands-Indië te verhuizen om daar de kost te verdienen. Dat verblijf duurde niet lang. Alle hoop op het weer op gang brengen van de Indische cultures zoals die van de rubberteelt vervloog toen de Indonesiërs het koloniale juk afschudden. Het jonge gezin Lagendijk keerde terug naar Nederland toen de kleine Ronald pas twee jaar oud was. Het is een periode geweest in het leven van de auteur van Rubbertijd waar hij niets van weet en die hem als een magneet naar de archipel toetrekt. Hij boekt een reis en doorkruist een deel van het land, met name Java en natuurlijk vooral Batavia, zijn geboorteplaats. Eenmaal daar aangekomen gaat hij de stad in op zoek naar Laan Trivelli 123. Lopend door de Jalan (=straat) Cijung ziet hij op nummer 36: Toko Roti & Kue, Huize Trivelli.

In het restaurant vraagt Lagendijk naar de Laan Trivelli. ‘Laan Trivelli, it’s the main street, you must have come that way’. En dan realiseert hij zich dat hij al die tijd door de straat heeft gelopen ‘[D]ie zijn ouders zo vaak zijn gegaan, zonder dat hij het ook maar een seconde in de gaten heeft [gehad]’.

De Laan Trivelli heet nu Jalan Tanah Abang Dua en op nummer 123 vindt Lagendijk een ommuurde bouwplaats. Het is een van de vele voorbeelden uit Rubbertijd van opmerkelijke confrontaties met heden en verleden.

Deel twee van Rubbertijd bevat een aantal losse schetsen, onder meer over het leven van de auteur en over de achtergronden waartegen zich zijn verleden voltrok, zoals de politionele acties. Ze zijn de moeite van het lezen waard en raken aan deel 1, maar vormen er geen organisch geheel mee. Het is vooral het eerste deel van Rubbertijd dat schrijver dezes boeit, niet in de laatste plaats omdat hij daar zelf als kind in 1948 gedurende enkele maanden heeft gewoond. Jawel, aan de Laan Trivelli nummer 75 op een steenworp van de plek waar Ronald Lagendijk het levenslicht zag. Ongetwijfeld is Rubbertijd voor iedereen die banden heeft met de vroegere kolonie een ontroerende vertelling.

~ Willem Peeters (1 december 2017)


Het Indisch Maandblad Moesson, januari 2018, in de rubriek: Greep uit de kast

Familie
De Indische geschiedenis is een familiegeschiedenis en Moesson is een familieblad. De zoektocht van Ronald Lagendijk begon dan ook met een ting ting in Moesson. Zo kwam hij in contact met lezers die in het Tjideng-kamp in zijn geboortehuis Laan Trivelli 123 woonden. Het was het begin van een lange en wonderlijke reis terug. Het eindresultaat, Rubbertijd, is een smaakvolle, verzorgde uitgave. Prachtig boek.


Aankondiging van drs. Pieter Kaptein in zijn rubriek Cultuurmix op www.cultureleraadpapendrecht.nl:

Rubbertijd
Ik nodig u uit tot een leesavontuur dat de nodige spanning kent. Onder spanning versta ik dan ‘de drang tot verder lezen’. Het boek werd mij vanmorgen door onze postman Ruud aangereikt en nu al wil ik van het bestaan ervan bij u gewag maken. En dat omdat geschiedenismagazine Historiek enthousiast is en de tekst van de omslag uitnodigend is. De in 1948 te Batavia geboren auteur Ronald Lagendijk heeft een voorliefde voor het creëren van non-fictie met een vleug fictie. Of zijn tweede boek Rubbertijd met als uitgeverij Rocka Projects dat illustreert, gaan wij achterhalen.


Lezers over het boek:

~ Een geweldig interessant boek ook als je geen banden hebt in de voormalige kolonie. Deel 1 is een reis door die geschiedenis van Indonesië, compleet met de nostalgie, en beschrijvingen van de geuren en kleuren. En deel 2 is voor allerlei andere redenen boeiend, en een blik in Ronalds motivatie om te proberen een deel van zijn geschiedenis tot leven te roepen. I love it.


~ Een, in alle opzichten, prachtig boek!!!


~ Met plezier je boek gelezen. Wat een ongelofelijke hoeveelheid speurwerk heb je verricht.


~ Erg frappant dat je uiteindelijk in Nederland meer over je familie te weten bent gekomen dan in Indonesië. Al zal de reis zeker de moeite waard geweest zijn. Ontroerend die passage waar je met kleine pasjes loopt om maar zoveel mogelijk grond te raken waar je ouders hebben gelopen. En schrijnend om te lezen wat een ten hemel schreiende taferelen zich daar moeten hebben afgespeeld. Het kwam ook voor mij een stuk dichterbij. Een heel goed boek en ik denk dat het schrijven ervan zeker iets met je zal hebben gedaan.


~ Zit met rooie oortjes je boek te lezen. Goed!!!


~ Effe terug naar pag. 122, het bahassa blijft toch mijn favoriete taal. Ik zoek rust bij het meisje achter de bar met haar fruitsalade. “Ik ben erg oud en woon al vijfenzestig jaar in Jakarta met mijn twee katten; ze zijn mooi en ongetrouwd, ze werken bij het Rubberfonds.” In tijden niet zo gelachen, nog een blikje Bintang?


~ Ik heb van mijn moeder je boek geleend, goed geschreven prachtig verhaal en een bijzondere kijk op ‘ons’ verleden in Indië. Heel mooi!


~ Ik heb je boek gelezen. Petje af, wat een enorme research is daaraan vooraf gegaan. Indrukwekkend. Tegelijkertijd heb ik genoten van de schetsen uit “onze” tijd, je beeld van Djakarta, je groot voorstellingsvermogen, vermoedelijk op basis van alles dat je waar dan ook gevonden hebt. Nogmaals bravo!


~ Ik heb je voortreffelijke boek van kaft tot kaft met grote belangstelling en nieuwsgierigheid gelezen. Je bent wel diep gegaan zeg, hallo. Een onbekend familieverhaal om te werken tot een indringende geschiedschrijving!  Wat een prestatie. Ik heb ook de foto’s bekeken op Facebook, die hadden best in het boek terecht mogen komen.


~ Vandaag je boek uitgelezen en naar website gekeken. Leuk om de foto’s te zien. Begrijp volledig dat je jaren bezig bent geweest. Mijn complimenten met het resultaat en doorzettingsvermogen. Heb veel opgestoken.


~ Met plezier heb ik uw boek ‘Rubbertijd’ gelezen. Ik herkende er veel in. Ook mijn vader is direct na de oorlog, via het NICA, naar Indië gegaan. Hij kwam als pas afgestudeerd ingenieur (ing.) bij het Rubberfonds te Banjarmasin. Mijn moeder volgde hem later als ‘handschoentje’ met de Johan van Oldenbarnevelt. Ik ben geboren in Batavia (juni 1949). Mijn geboorteakte moest mijn vader na aangifte op het stadhuis maar meenemen, de ambtenaar verwachtte onrust en ‘gedoe’. Ik heb de akte nu in de safe liggen. De geboorteaktes van ons beiden zijn woordelijk gelijk en dragen dezelfde handtekeningen!
Je schrijft in je boek goed geïnformeerd en beeldend over de buitengewoon onzekere en gevaarlijk tijd in Indië na 1945. Op Java was het verreweg het gevaarlijkst, maar ook in Zuidoost Borneo was men waakzaam. De circulaire van 28 sept. 1946 van het Rubberfonds te Banjarmasin getuigt daarvan. Zeer herkenbaar vond ik je vragen en overwegingen rond je persoonlijke betrokkenheid bij Indonesië, ondanks het feit dat je daar nooit bewust was geweest en je er ook geen eigen herinneringen aan had. Voor mij geldt hetzelfde. Ook ik heb een zekere affiniteit met dat land.


~ Om mijzelf even te plaatsen: Vader Birma spoorlijn, moeder Tjideng, ik van mei 1949. Pubertijd in de Stad achter de Duinen, zij het op het zand in de Vogelwijk, bedoeld als lastig obstakel voordat de tankval in zicht kwam. Ik probeer ook het leven van mijn altijd zwijgzame ouders te doorgronden en te reconstrueren. Ik kom een eind, inclusief de historische context die voor meer begrip moet zorgen maar ook steeds weer nieuwe vragen oproept. Grappig maar evenzeer onvermijdelijk dat we beiden bij Kirkegard uitkomen.
Ik schreef: “Het leven begrijpen doe je vanuit het verleden, het leven leven doe je in de toekomst”, filosofeerde Kirkegard en ik probeer het nu beide te doen. Ik probeer mijn leven, ik probeer wie ik ben, te begrijpen vanuit het verleden. Niet alleen vanuit mijn verleden, maar ook vanuit dat van mijn ouders, degenen die mij grootbrachten en vanuit de historische context die daarbij verhelderend kan zijn. Het is een verleden waarin veel belangrijke dingen juist niet gezegd werden, omdat ze onbespreekbaar waren, maar waarin de last van een groot geheim voelbaar was. Dat is een verleden dat verder terug gaat dan 1949, het jaar waarin ik geboren ben en vanaf vandaag iedere dag dat ik leef weer groter wordt. Dat verleden kent een belangrijke cesuur als mijn moeder overlijdt in 1997. Dan is de laatste mogelijkheid nog iets te horen van dat verzwegen verleden voorgoed voorbij. Voor een beter begrip van het verleden moet ik dus het ongezegde hoorbaar gaan maken en het betekenis geven. Zo ontstaat er ruimte in mijn hoofd om het leven te leven, nu en in de toekomst.
Dank voor het schrijven van je boek en een vriendelijke groet.


~ Ik heb je boek uit. Ik heb het in een dag of vijf achter elkaar uitgelezen en dat is op zich al een impliciet compliment. Met jou heb ik me vooral af zitten vragen wat je ouders – die jonge mensen – bezield heeft om in die ongewisse tijd, zwanger en wel naar dat verre Indië af te reizen. Nu denk ik dat ze gewoon fout of niet geïnformeerd waren of misschien wel heel jong en onervaren of een combinatie van al die factoren.
Ik ben een stuk ouder dan jij en heb dus zelf nog echte herinneringen aan die uitzendingen (zo heette dat in die tijd) van “onze” jongens naar Indië. Zo heette Indonesië bij ons thuis. De broer van ons dienstmeisje en haar zwager werden uitgezonden en dan waren wij blij dat Jaap, die broer, kok werd en dus niet zo vaak op patrouille hoefde.
Nog een paar jaar later kregen wij in Overschie een flink aantal blanke repatrianten en dat vond ik heel spannend. Ze verrekten van de kou, maar hadden de meest fantastische zaken zoals krissen en een echte vuurbuks waar ze apen en vogels mee geschoten hadden in hun eigen tuin. Moet je je voorstellen een eigen tuin met wilde apen …. Ik was al een hele held met mijn Diana windbuks. Van die jongens heb ik veel foute woorden maleis/bahassa geleerd, dat was ook spannend en leuk. Jouw zoektocht naar je geboortehuis en de ontroerende zoektocht naar je vader hebben me geboeid en me aan het denken gezet. Begrepen heb ik die relatie niet – als er al sprake was van een echte relatie.
Geschiedenis in de breedste betekenis heeft me altijd geboeid en ik heb er best veel over gelezen en dus was die kant van je boek van koning Willem III (koning gorilla) ook interessant maar niet geheel nieuw voor mij. Maar om dat dan weer eens van zo dichtbij beschreven te zien vond ik geweldig.  Ik heb zitten grinniken om je avonturen in dat reclamebureau. Wat een idiote tijd en wat leuk beschreven. Is dat nog steeds zo in de reclame wereld?
Nogmaals, ik heb van je boek genoten en als ik recensent van de NRC zou zijn dan had ik er vier ballen onder gezet.


~ Ik heb me altijd afgevraagd hoe het komt dat er zoveel bekende goede schrijvers zijn die in Indië geboren zijn. Misschien is het een virus en ben jij in die twee jaar in Batavia ook besmet. Wat een geweldig boek en ik kom zoveel bekende stukken tegen. In Blijdorp woonde ik in 1940, tijdens het bombardement, op de Statenweg. Op de Stadhoudersweg, in 1950,  recht tegenover de Van Manenstraat, waar ik lid was van RZ&PC. Een volle neef van mijn moeder, Johan Suurenbroek, was de baas op een thee plantage in Bukittinggi. Ze hadden al een paar aanvallen op de plantage gehad. In 1956 werd het te gevaarlijk en zijn ze naar Nederland gekomen. Van Albert Alberts heb ik 7 boeken. Gedurende de oorlog woonden we in Barendrecht, we hadden een dienstbode die Leny Lagendijk heette. Zij woonde aan de Voordijk die helemaal doorloopt tot Smitshoek, twee van haar broers zaten bij mij op de dorpsschool.